Veiligheidsbenadering van primaire waterkeringen
Hoe veilig zijn de primaire waterkeringen?
Voor het laag gelegen Nederland is het veiligheidsvraagstuk cruciaal. Maar hoeveel zekerheid biedt het stelsel van primaire waterkeringen nu werkelijk?
Het is een gegeven dat geen enkele waterkering absolute zekerheid kan garanderen. Natuurverschijnselen als wind en regenval kennen immers in principe geen bovengrenzen. Onder extreme weersomstandigheden blijft het mogelijk dat waterkeringen toch overstromen of doorbreken en het achterliggende land onder water komt te staan. Maar ook onder minder extreme omstandigheden is nooit exact te voorspellen of waterkeringen het houden.
Overstromingen zijn, helaas, nooit helemaal uit te sluiten, het gaat er om het overstromingsrisico tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.
Hoe hoger, sterker en betrouwbaarder waterkeringen, hoe kleiner de kans dat ze doorbreken. Dat is zeker waar, maar de discussie over het veiligheidsniveau van waterkeringen draait niet alleen om het verminderen van de kans op schade en slachtoffer.
Maatschappelijke offers en baten top
Het versterken van waterkeringen vraagt maatschappelijke offers. Het gaat dan niet alleen om de financiële middelen voor aanleg en onderhoud. In veel gevallen betekent de aanleg of verbetering van een waterkering een aantasting van bestaande landschap-, natuur- of cultuurwaarden. Steeds opnieuw moet de vraag worden gesteld of op deze punten concessies moeten worden gedaan, en zo ja in hoeverre.
Bij beslissingen over de waterkeringen dienen daarom de maatschappelijke offers en de veiligheidsvoorwaarden van waterkeringen zorgvuldig tegenover elkaar te worden afgewogen.
Prioriteiten verschuiven top
In de tweede plaats kan de permanent gevoerde discussie over het gewenste veiligheidsniveau onder invloed van ontwikkelingen en incidenten van karakter veranderen. De waardering van het bestaande veiligheids- of beschermingsniveau kan veranderen, zoals door de overstromingen in Limburg in 1993 en 1995 en de preventieve evacuaties in het rivierengebied. Rampen of bijna rampen zorgen steevast voor een aanzienlijke aanscherping van de discussie.
Het rapport van de Deltacommissie
als basis van het huidige veiligheidsbeleid top
Kort na de watersnoodramp van 1953 werd de Delta-commissie in het leven geroepen. De commissie diende antwoord te geven op de vraag:
Welke waterstaatkundige voorzieningen dienen te worden getroffen met betrekking tot de door de stormvloed van 1 februari 1953 geteisterde gebieden?
In haar eindrapport dat in 1960 verscheen,deed de commissie een serie aanbevelingen. Om de directe dreiging van (vooral) de Noordzee weg te nemen stelde de commissie het Delta-plan op, waarin werd voorgesteld de kustlijn van Zuid-West Nederland aanzienlijk te verkorten. Met het oog op de lange termijn pleitte de Delta-commissie voor een meer wetenschappelijke benadering bij het ontwerpen van waterkeringen.
Het Delta-plan is inmiddels nagenoeg geheel uitgevoerd, waarmee de dreiging voor grote delen van Nederland is weggenomen.
Pleidooi voor een meer wetenschappelijke benadering top
Uitgangspunt van de door de commissie voorgestelde wetenschappelijke benadering was om per dijkringgebied een gewenst veiligheidsniveau vast te stellen. Dit veiligheidsheidsniveau is gebaseerd op enerzijds de kosten van de aanleg van waterkeringen en anderzijds de mogelijke schade bij een overstroming. Daarbij realiseerde de commissie zich dat het anno 1960 ging om een 'ideaalbeeld'. Een groot aantal aanbevelingen was om technische redenen vooralsnog niet realiseerbaar. Voornaamste probleem was dat de kans op het doorbreken van een waterkering en dus de kans op een overstroming, niet voldoende nauwkeurig kon worden ingeschat.
Ontwerpbelastingen top
Mede daarom is destijds gekozen voor een vereenvoudigde veiligheidsbenadering, gebaseerd op ontwerpbelastingen.
Uitgangspunt daarin zijn ontwerpwaterstanden als meest dominante belasting. Bij het ontwerp van de waterkering wordt ten opzichte van deze waterstand vervolgens een zekere marge gehanteerd, die afhankelijk is van wind- en golfklimaat. Doel daarbij is ervoor te zorgen dat elk individueel dijkvak voldoende hoog is om een bepaalde extreme waterstand met bijbehorende golfbelasting ('overlopen' en 'golfoverslag') te keren. Aanvullende constructieve eisen, zoals de helling van het binnentalud en de zwaarte van de bekleding, zorgen voor voldoende stabiliteit.
Ontwerpwaterstand per dijkringgebied top
Op deze wijze is voor ieder dijkringgebied een veiligheidsniveau in de vorm van ontwerpwaterstanden vastgelegd. Zo gelden voor de dichtbevolkte Randstad, het economische hart van Nederland, ontwerpwaterstanden met een overschrijdingskans van 1/10.000 per jaar. Voor de minder dichtbevolkte en economisch minder belangrijke gebieden wordt uitgegaan van hogere overschrijdingsfrequenties.
In navolging van het werk van de Delta-commissie is tevens de gewenste veiligheid van de dijken langs de rivieren Rijn en Maas vastgesteld. De overschrijdingsfrequentie in deze bovenrivierengebieden is 1/1250 per jaar. Hierbij is de geringere schade bij overstromingen ten gevolge van hoge rivierafvoeren meegewogen.